In eerdere blogs heb ik het al over shockschade gehad. In mijn eerste blog van 28 oktober 2021 heb ik uitgelegd wat shockschade inhoudt (Wat is shockschade? – Berntsen Mulder Advocaten) en in mijn blog van 22 maart 2024 heb ik verteld over de uitspraak van de Hoge Raad van 2022 (Vervolg blog: wat is shockschade anno nu? – Berntsen Mulder Advocaten), waardoor de regels om tot vergoeding van shockschade te komen genuanceerd en versoepeld zijn. In mijn blog van 22 mei 2024 heb ik de puntje op de i gezet van shockschade (of was het schokschade?) (Puntjes op de i bij shockschade of is het schokschade? – Berntsen Mulder Advocaten) en liet ik met recentere rechtspraak zien dat het inderdaad wat makkelijker was geworden om shockschade te claimen.
Zoals aangegeven in de laatste blog zagen wij naast de term shockschade ook steeds vaker de term schockschade voorbij komen. Nu, anno 2026, zien wij toch weer voornamelijk de term shockschade gebruikt worden. Ik zal hieronder de term shockschade gebruiken.
Voordat ik inga op een recente uitspraak van de Hoge Raad over shockschade in 2025, vat ik de regelgeving nog even samen. In 2002 heeft de Hoge Raad (HR 22 februari 2002, NJ 2002, 240) vereisten vastgesteld waaraan voldaan moet zijn om tot shockschade te kunnen komen:
- Er moest sprake zijn van de schending van een verkeers- of veiligheidsnorm (voorbeeld: een fietser wordt door een automobilist aangereden).
- Er moest sprake zijn van letsel of overlijden van het slachtoffer.
- Er moest sprake zijn van het waarnemen van het ongeval of van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het ongeval (het confrontatievereiste).
- Er moest sprake zijn van een hevige emotionele schok waaruit geestelijk letsel voortvloeide, hetgeen in het algemeen slechts het geval kon zijn indien sprake was van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.
Er moest aan alle voorwaarden zijn voldaan, anders was er geen recht op vergoeding van shockschade.
In 2022 heeft de Hoge Raad zijn eerdere uitspraak van 2002 genuanceerd en gezichtspunten geformuleerd die bij de beoordeling van de shockschadevordering relevant kunnen zijn (HR 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958). Het gaat om de volgende gezichtspunten:
- De aard, toedracht en gevolgen van het jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed;
- De wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan;
- De aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
De rechter moet deze gezichtspunten van geval tot geval beoordelen. Er hoeft dus niet meer voldaan te zijn aan alle gezichtspunten. De rechter heeft dus meer vrijheid om te beoordelen of er een aanspraak op shockschade bestaat.
In november 2025 heeft de Hoge Raad zich opnieuw uitgelaten over shockschade (ECLI:NL:HR:2025:1676, Hoge Raad, 24/01717). De hierboven genoemde uitspraken worden herhaald door de Hoge Raad en het ‘confrontatievereiste’ krijgt nu een nadere omlijning.
Deze zaak betrof een schietpartij in 2019, waarbij de partner van een vrouw wordt neergeschoten. De vrouw hoort via een app-bericht dat iemand gewond is geraakt bij een schietpartij in de straat. Uiteindelijk verneemt zij van de politie dat haar partner inderdaad het slachtoffer is. Pas enkele uren later na een operatie mag de vrouw bij haar partner, die op dat moment weer bij bewustzijn is.
De vrouw had zich als slachtoffer gevoegd in de strafzaak en vorderde shockschade maar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2024:2609, Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 21-000798-22) oordeelde dat er niet voldaan was aan het confrontatievereiste, waardoor de vrouw geen recht op vergoeding van shockschade had. De vrouw ging in cassatie bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad concludeerde dat er sprake moet zijn van het “waarnemen van het tenlastegelegde of door de confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan”, en dat daar in het geval van deze vrouw geen sprake van is geweest. De vrouw had het delict of het daardoor veroorzaakte letsel niet waargenomen. De Hoge Raad oordeelde ook dat niet bleek dat het zien van het slachtoffer in het ziekenhuis zeer confronterend was geweest.
Het in het ziekenhuis zien van het slachtoffer na een operatie terwijl hij bij bewustzijn is, was volgens de Hoge Raad dus niet voldoende om te voldoen aan het confrontatievereiste, ook niet bij een ernstige normschending zoals hier aan de orde. Wellicht als de vrouw had kunnen aantonen dat het zien van haar partner in het ziekenhuis na de operatie met al zijn verwondingen zeer confronterend was geweest dat de Hoge Raad anders had geoordeeld. Voor nu is het dus duidelijk dat, om te voldoen aan het confrontatievereiste, het delict of het daardoor veroorzaakte letsel vrij direct of in een korte periode na het delict moet zijn waargenomen om shockschade te kunnen claimen.
Heeft u een vraag over een shockschade, letselschade, of smartengeld? Neem dan contact op met Berntsen Mulder Advocaten. Wilt u meer weten over uw specifieke situatie? Belt of mailt u mij dan gerust. Dat kan via telefoonnummer 0172 – 42 71 91, e-mail l.calis@berntsenmulder.nl of vul het contactformulier in.


0172 - 42 71 91



